Je bent hier:

Beatrix Potter, zakenvrouw

Beatrix Potter

Door: Elise Prins-Kleuskens

Wie is er niet opgegroeid met Pieter Konijn? Weet je nog, dat konijntje in dat blauwe jasje? De boekjes werden geschreven én geïllustreerd door Beatrix Potter. “Klopt, wat wil je daarmee zeggen?” Goede vraag. Je staat er eigenlijk niet bij stil dat het bijzonder is dat deze boekjes door een vrouw geschreven en gepubliceerd zijn. Maar dat is het wel! En ik zal je vertellen waarom.

Opgroeien bij de familie Potter

De familie Potter was een zogenaamde upper-middle-class familie. De opa van Beatrix, Edmund Potter (1802-1883), was de eigenaar van de grootste fabriek waar katoen bedrukt werd in die tijd. Daarnaast was hij ook lid van het parlement. Beatrix’s vader, Rupert William Potter (1832-1914), was advocaat en trouwde met Helen Leech (1839-1932), de dochter van een rijke katoenhandelaar. Handig voor de familie, dacht ik zo!

Het gezin Potter woonde in West Brompton, in het zuidoosten van Engeland. Beatrix werd geboren in 1866 en haar broertje Walter Bertram volgde in 1872. Het hele gezin bezat creatief talent. Wat Beatrix goed kon hoef ik je niet meer te vertellen, maar haar vader hield zich bezig met fotografie. Beatrix werd thuis geschoold door drie gouvernantes. Zo groeide ze vrij geïsoleerd op tot een mooie jonge vrouw. Beatrix en haar broertje Bertram leefden met een hele hoop dieren om zich heen, een liefde die ze hadden geleerd van hun ouders. De kinderen zorgden niet alleen voor de dieren, Beatrix maakte ook tekeningen van de dieren.

Naast tekenen hield Beatrix ook een dagboek bij vanaf dat ze een jaar of 14 was. Dat schreef ze niet gewoon, nee, daarvoor bedacht ze een geheimtaal. Ze schreef er ook niet enkel in op wat ze meemaakte, ze gebruikte het ook om in te schetsen en om te experimenteren met het schrijven van verhalen. Toen het dagboek in 1958 werd ‘vertaald’ kwam men erachter dat er niet veel in stond over Beatrix’s persoonlijke leven, maar het wel een erg mooie inkijkje bood in het leven van de Britse hogere klasse aan het einde van de 19e eeuw.

Studeren

Beatrix mocht van haar ouders ook studeren, al was het dan wel met behulp van privéleraren. Zo verdiepte ze zich in praktisch elke tak van de natuurwetenschappen. Enkel astronomie liet ze aan zich voorbij gaan. Het was haar droom om te gaan werken in de mycologie, dat deel van de biologie dat zich bezighoudt met het onderzoek naar schimmels en paddenstoelen, maar doordat ze een vrouw was en ‘slechts’ een amateur werd haar verboden om te gaan werken bij de botanisten in Kew Gardens. Daarop schreef ze een essay, On the Germination of the Spores of the Agaricineae. Een mannelijke botanist, George Massee (1845-1917), moest het voor haar indienen bij de Linnean Society, want het was een vrouw niet toegestaan om aanwezig te zijn bij de bijeenkomsten. Wel mooi om te vermelden is dat in 1997 de Linnean Society excuses aan heeft geboden voor het seksisme dat hen Beatrix had doen weigeren. Beetje laat, dat dan weer wel.

Naast de natuurwetenschappen had Beatrix ook nog andere interesses, bijvoorbeeld de klassieke sprookjes van de westerse wereld. Ze bestudeerde allerlei sprookjes en natuurlijk ook de tekeningen die daarbij vaak in de boeken stonden. Vooral door de illustraties van Randolph Caldecott (1846-1886) werd Beatrix geïnspireerd. Beatrix begon ook te tekenen, in eerste instantie illustraties bij bestaande, traditionele sprookjes, maar ze tekende ook graag afbeeldingen uit haar eigen fantasie, waarbij haar huisdieren vaak een prominente rol speelden.

Om ook wat geld te kunnen verdienen, drukte Beatrix samen met haar broer kerstkaarten met daarop tekeningen van Beatrix. Vooral haar konijn Benjamin Bunny viel in de smaak. De afbeeldingen werden gekocht en in een boek gedrukt. Geïnspireerd door dit succes besloot Beatrix haar eigen verhalen te gaan schrijven, om die samen met haar tekeningen in een boek te bundelen. Omdat ze geen uitgever bereid vond om haar boek te publiceren, gaf ze het zelf uit voor familie en vrienden. Op eigen kosten!

Hardwicke Rawnsley (1851-1920), een Anglicaans priester die Beatrix tijdens familievakanties in het Lake District ontmoette, nam de taak op zich om Beatrix’s boek gepubliceerd te krijgen. Hem lukte het wel om een uitgever te vinden, namelijk Fredricke Warne & Co. Op 2 oktober 1902 was het dan eindelijk zover: The Tale of Peter Rabbit (in 1912 vertaald als Het verhaal van Pieter Langoor) verscheen. Het was meteen een groot succes en al het volgende jaar verschenen de volgende twee boeken: The Tale of Squirrel Nutkin (Het verhaal van Eekhoorn Hakketak) en The Tailor of Gloucester (De kleermaker van Kloster). Uiteindelijk publiceerde Beatrix wel 23 boeken bij deze uitgeverij.

Wie nu denkt dat Beatrix niet zonder de hulp van mannen financieel rond kon komen, heeft het mis. Ze had heus wat zakelijk inzicht en bedacht al in 1903 het idee om merchandise aan de boeken over Pieter Konijn te verbinden. Hiermee verzekerde ze zichzelf pas écht van een stabiel inkomen.

De liefde en de oorlog

“Was dat alles?” Nee joh, ik moet je ook nog vertellen over Beatrix’s leven! Met haar redacteur van de uitgeverij, Norman Warne (1868-1905), bouwde Beatrix een intieme band op. In 1905 vroeg hij haar heimelijk ten huwelijk, maar van een huwelijk kon het niet meer komen, want slechts een maand later kwam Norman om door een kwaadaardige bloedarmoede. In die tijd was Beatrix ook bezig met de aankoop van een boerderijtje, waar zij hoopte met Norman te gaan wonen. Overmand door het verlies van haar geliefde, ging ze toch door met de koop en verhuisde ze naar het boerderijtje. Vanaf dit moment is Beatrix niet alleen maar schrijfster en illustratrice, ze is nu ook een heuse boerin. Een man om het bedrijf te beheren? Die had ze niet nodig. Wel werkte ze samen met een advocaat, William Heelis, om haar landgoed te beschermen. Ook met hem bouwde ze een speciale band op en in 1913 trouwden ze.

Ook na de Eerste Wereldoorlog bleef Beatrix schrijven en tekenen, al was het vaker voor haar eigen plezier dan om het uit te geven. Noemenswaardig is het semi-autobiografische The Fairy Caravan. Dit boek werd alleen in Amerika uitgegeven. Pas na Beatrix’s dood werd het boek ook in Engeland gepubliceerd.

Met William is Beatrix gelukkig getrouwd gebleven tot aan haar dood in 1943. Samen maakten ze dus de Eerste Wereldoorlog mee en ook nog het grootste gedeelte van de Tweede Wereldoorlog. Kinderen kregen ze niet. Wel was Beatrix belangrijk voor de nichtjes van William, die ze voorzag van onderwijs.

In 1943 overleed Beatrix aan de gevolgen van een longontsteking en hartproblemen. Vrijwel al haar bezittingen liet ze na aan de National Trust, een charitatieve instelling met als doelstelling het behoud van “plaatsen van historisch belang of natuurlijke schoonheid” in Engeland, Wales en Noord-Ierland. Rond die tijd bestond haar bezit uit kilometers land, boerderijen, huizen en vee. Het was de grootste donatie die de National Trust tot die tijd ontvangen had.

Maar niet alleen het land en de huizen ging naar de National Trust. Ook liet ze de originele versies van haar tekeningen na. De auteursrechten schonk ze aan de uitgeverij. In 1946 werd de boerderij van Beatrix opengesteld voor het publiek. Men kon er de werken van Beatrix bekijken tot 1985. Daarna werden de werken verhuisd naar de officiële Beatrix Potter Gallery in Hawkshead. Het merendeel van haar brieven ligt nu in het Victoria and Albert Museum in Londen. In 2015 werd nog een manuscript ontdekt van een boek dat tot dan toe nog niet was gepubliceerd. In 2016, 150 jaar na Beatrix’s geboorte werd The Tale of Kitty-in-Boots (Het verhaal van de gelaarsde poes) gepubliceerd, met tekeningen van Quentin Blake.

 

Elise Prins-Kleuskens voor Feelgoodboeken.nl

LEES DE HELE BLOGSERIE:

Beatrix Potter
Elizabeth Barrett Browning
Violet Paget
Louisa May Alcott
Edith Cooper & Katharine Bradley (Michael Field)
Aurore Dupin (George Sand)
Mary Ann Evans (George Eliot)
Jane Austen
Mary Shelley (Frankenstein)
Mary Astell
De gezusters Brönte
Mary Wollstonecraft